Categorie archief: Advies

Wat doet dat woordje ‘maar’ in al die zinnen?

Een leerder van het Nederlands vraagt zich vertwijfeld af: wat doet dat woordje maar toch in al die zinnen?

Onder taalcursisten heb je rekkelijken en preciezen. De rekkelijken zijn tevreden als ze begrijpen waar een tekst over gaat. De preciezen willen van ieder woord uit die tekst weten wat het betekent. In een lesje over aardappels kopen op de markt vroeg een jonge Syriër me bijvoorbeeld: ‘Wat betekent het woordje maar in de zin ‘Doe mij maar twee kilo’?’

Hij kende maar als voegwoord, in constructies als kort maar hevig, en dat maakte de aanwezigheid van dat woordje in deze zin raadselachtig. Behalve een voegwoord is maar ook een bijwoord, en in die hoedanigheid blijkt het een schat aan functies te herbergen. Welke functies? Dat hangt af van het type zin, de spreker, de context en zelfs de intonatie. Met het woordje maar geven we uitdrukking aan ons ongenoegen, onze liefde, verslagenheid en verwarring. Aan onze diepste dromen en onze grootste ergernissen.

Bron: Taalunie

Tory’s of tories?

De Taalunie ontvangt regelmatig vragen over het Nederlands. Deze keer een vraag over het meervoud van ‘Tories’, de conservatieve partij in Engeland.

De vraag: Waarom schrijven we in het Nederlands tory’s en niet zoals in het Engels Tories? Het is immers een eigennaam en dan zou je dat toch hetzelfde moeten schrijven als in de brontaal?

Het antwoord We schrijven tory’s, omdat we ook baby’s schrijven en hobby’s. Woorden die eindigen op een y (met daarvoor een medeklinker) krijgen in het meervoud een apostrof plus s. De ‘Engelse’ meervoudsvorm met -ies is in het Nederlands niet juist.

Het is alleen een eigennaam als het om de partijnaam zelf gaat. Dan geldt het donorprincipe: we gebruiken dan de schrijfwijze in de taal van herkomst of die de oprichter, de ontwerper of de eigenaar van een instelling of merk heeft gekozen. In dit geval zou dat dan Tories zijn, met hoofdletter en Engelse uitgang –ies. Maar in de betekenis van aanhangers van de Engelse conservatieve partij gaat het om een soortnaam en geldt het donorprincipe niet. We passen dan de gewone Nederlandse regels toe: soortnaam met kleine letter en meervoud apostrof +s: Charles en Sebastian zijn tory’s.

Bron: Taalunie:bericht

Weer volop aandacht voor ‘hun hebben’

In de Volkskrant is een interview verschenen met taalkundige Hans Bennis, sinds 1 februari algemeen secretaris van de Taalunie. Hij geeft daarin onder meer aan dat de Taalunie er niet is om voor te schrijven wat je wel en niet kunt zeggen, dat taal voortdurend verandert en dat je ‘hun hebben’ taalkundig ook als een verbetering zou kunnen beschouwen.

Uit reacties op onder meer sociale media blijkt dat ‘hun hebben’ een thema is dat de gemoederen in Nederland blijft bezighouden. ‘Hun’ als onderwerp is nog steeds onderwerp van debat. Op het symposium Goede redenen voor foute taal op vrijdag 24 februari 2017 stond één van de sprekers stil bij de opkomst van ‘hun hebben’. In Taalunie:Bericht is een verslag opgenomen van dit symposium.

Bron/lees meer: http://taalunieversum.org/nieuws/6861/weer_volop_aandacht_voor_hun_hebben_
Zie ook:

De stam en de ik-vorm

bepaal_stam

Ah, de stam en de ik-vorm – een bron van verwarring en verhitte discussies. Zowel het begrip stam als ik-vorm (eerste persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd) wordt in vele schoolboeken en grammatica’s wel besproken, maar niet altijd uitgelegd. Sterker nog, de begrippen worden soms zelf aan elkaar gelijkgesteld: ‘De stam is de ik-vorm.’ Dat is niet alleen onjuist, maar ook jammer, want voor een goed begrip van de werkwoordspelling is het noodzakelijk te begrijpen wat de stam wel en niet is.

We beginnen bij de onbepaalde wijs, ook wel infinitief genoemd. De onbepaalde wijs is de basisvorm van een werkwoord. ‘Onbepaald’ betekent dat nog geen rekening is gehouden met persoon (eerste, tweede, derde), getal (enkelvoud, meervoud) en (tegenwoordig of verleden) tijd. Qua uiterlijk is de vorm gelijk aan de wij-vorm in tegenwoordige tijd: werken, kaarten, rekenen et cetera. Omdat veel boeken alleen de wij-vorm noemen en niet de onbepaalde wijs of infinitief, houd ik hier de term wij-vorm aan.

De stam is de wij-vorm waar je de letters –en van afhaalt, zoals je hieronder kunt zien. Belangrijk hierbij is dat de stam een ‘geconstrueerd taalelement’ is, dat alleen bestaat als hulpmiddel bij de werkwoordspelling.

  1. Ik draai aan de draaimolen.
    Wij-vorm: draaien.
    Stam: draaien –en, dus draai.
  2. Ik word door Eva opgehaald met de auto.
    Wij-vorm: worden.
    Stam: worden –en, dus word.

Op zich helder, maar toch begint de verwarring hier eigenlijk al. De ik-vormen in zinnen (1) en (2) zijn, qua uiterlijk, namelijk identiek aan de stam; de stam van draaien is draai en de ik-vorm is ook draai. Je zou daarom kunnen denken dat het een slimme en snelle manier van spellen is om niet eerst de wij-vorm te bepalen en daar dan -en af te halen, maar gewoon gelijk naar de ik-vorm te gaan. De stam en ik-vorm zijn immers toch gelijk? Die vlieger gaat echter niet altijd op, zoals in (3) hieronder.

  1. Ik verhuis naar Buitenveldert.
    Wij-vorm: verhuizen.
    Stam: verhuizen –en, dus verhuiz.

Ja, de stam van verhuizen is echt verhuiz en niet verhuis, want je haalt -en van de wij-vorm af. De ik-vorm komt hier dus duidelijk niet overeen met de stam; het is immers ‘ik verhuis’ en niet ‘ik verhuiz’. Hoe komt dat?

Een lettergreep aan het einde van een Nederlands woord eindigt nooit op een z of een v. Als je me niet gelooft, kun je uiteraard ook in de leidraad bij de officiële spelling van het Nederlands kijken. Voor het gemak heb ik de betreffende passage hieronder gezet.

We schrijven geen v of z aan het eind van een lettergreep*. We vervangen ze door f of s. We schrijven dus niet raav (gelijkvormig met raven), maar raaf en niet prijz (gelijkvormig met prijzen), maar prijs. Uitzonderingen vinden we in uitheemse woorden als pilav en fez. (http://woordenlijst.org/leidraad/1/2)

Dit geldt ook voor werkwoorden. De stam is, zoals we hebben gezien, een hulpmiddel dat je gebruikt om te spellen, maar je schrijft ‘m nooit direct op. De stam hoeft zich dus niet aan bovenstaande regel te houden. De ik-vorm is echter wel een woord dat je schrijft en zo’n schrijfvorm moet zich aan de spellingregels houden. Nu hoef je voor het vervoegen van de ik-vorm niets aan de stam toe voegen, maar dat betekent niet dat je zomaar de stam opschrijft. Bij het vervoegen moet je namelijk een z of v aan het einde vervangen door een s of f. De stam verhuiz levert zo de vervoeging ‘ik verhuis’ op en de stam ‘word’ levert ‘ik word’ op. Je zou dus kunnen zeggen dat de ik-vorm van worden (word) wel op de stam (word) lijkt, maar er toch stiekem ook een beetje van verschilt: de stam is alleen een hulpmiddel dat je in gedachten gebruikt om te vervoegen, maar de ik-vorm is een daadwerkelijk geschreven woord. Bij verhuizen zie je het verschil duidelijk, bij worden niet, maar dat betekent niet dat er geen verschil is.

Het klinkt misschien allemaal wat ingewikkeld, dus we kijken naar nog een voorbeeld.

  1. Emma gelooft niet meer in de liefde, maar ik geloof er nog wel in.
    Wij-vorm: geloven.
    Stam: geloven –en, dus gelov.
    Ik-vorm: geloof

Hier eindigt de stam op een v, dus vervang je deze bij het vervoegen door een f. Zo krijg je voor de derde persoon enkelvoud (Emma) ‘stam+t’ waarbij de v is veranderd in een f. Dat de stam en de ik-vorm niet gelijk zijn, zie je daarnaast ook aan de klinkers; de stam spreek je nooit uit, dus dat gelov er vreemd uitziet, is niet zo erg. Zodra je gaat spreken of schrijven, hoor je echter geen korte, maar een lange o en dat zie je in de vervoegingen terug: ‘Emma gelooft’ en ‘ik geloof’.

Oké, mocht je het tot hier hebben volgehouden, dan zou je je kunnen afvragen waarom we eigenlijk zo moeilijk doen. Waarom gebruiken we überhaupt het begrip stam, als we die vorm nooit echt zien? Dat heeft er onder andere mee te maken dat we bij het vormen van de verleden tijd (werkte) en voltooide tijd (gewerkt) de stam nodig hebben om te bepalen of we een d of een t aan het einde schrijven. Is de laatste letter of klank van de stam een medeklinker in het rijtje t, k, f, s, c, h, p (’t kofschip), dan schrijf je een t. Zo niet, dan schrijf je een d. Laten we dat, tot slot, nogmaals bekijken voor het werkwoord verhuizen en je ziet direct waarom je de stam écht nodig hebt.

  1. Ik ben naar Buitenveldert verhuisd.
    Wij-vorm: verhuizen.
    Stam: verhuizen –en, dus verhuiz.

De stam eindigt hier op een z en dat is geen medeklinker in ’t kofschip. Je neemt voor het voltooid deelwoord verhuisd dus de onbepaalde wijs (wij-vorm) verhuizen, je haalt daar -en vanaf en je gaat vervolgens met de overgebleven stam verhuiz vervoegen. Op basis van de z, geen medeklinker in ’t kofschip, bepaal je dat je een d aan het einde schrijft. We gaan daarna van de stam (een gedachte) naar een vervoeging (een geschreven woord), dus de z verandert in een s. Et voila: verhuisd met een s en een d. Had je hier ‘gewoon’ de ik-vorm genomen, dat had je kunnen denken ‘Ah, de ik-vorm eindigt op een s en dat is een medeklinker in ’t kofschip, dus ik schrijf verhuist met een t.’ Ook dan vergaat de wereld natuurlijk niet, maar er staat wel een flinke spelfout in je tekst.

Wees dus altijd op je hoede als je ergens leest of hoort ‘de stam is de ik-vorm’, want – ook in de huidige tijd met zogenaamde ‘alternative facts’ – het is echt niet waar.

Mocht je nog meer willen weten, dan kun je eens kijken in de Algemene Nederlandse Spraakkunst: http://ans.ruhosting.nl/e-ans/02/03/02/03/body.html.

Een raadselachtig verkeersbord

‘Brug open, motor af’, ‘Vaart minderen spaart kinderen’. Opschriften op verkeersborden om weggebruikers aan te sporen tot veilig gedrag moeten natuurlijk kort en bondig geformuleerd worden. Meestal worden die korte zinnen goed begrepen, maar uit een kleine rondvraag onder studenten en collega’s blijkt dat het (in Nederland) met één bord misgaat: dat met de tekst ‘Op slot, buit eruit!’ Hoe komt dat?

verkeersbord

Lees meer en bron: http://taaluniebericht.org/artikel/uitgelicht/een-raadselachtig-verkeersbord