Tagarchief: hun

Het verschil tussen ‘hen’ en ‘hun’ afschaffen?

Wat is het ook alweer? ‘Dat zal hun bezuren’, of ‘hen bezuren’? (Hun!) En irriteert het lawaai ‘hen’ of ‘hun’? (Hen!)

Het onderscheid tussen hen en hun is van oorsprong kunstmatig, en zelfs de meest taalgevoelige mensen hebben vaak moeite de goede vorm te kiezen in dit soort gevallen.

Bij andere vormen, zoals mij, jou, haar en ons. bestaat er maar één vorm: het zal ‘mij’ bezuren én het lawaai irriteert ‘mij’.

Wordt het, kortom, niet eens tijd het onderscheid tussen hun en hen af te schaffen? Bijvoorbeeld door in dit soort gevallen altijd te kiezen voor hen, en hun alleen te gebruiken als bezittelijk voornaamwoord: ‘Ik wens hen veel plezier met hun wereldreis.’

Vul de enquete in op Onze Taal.

Weer volop aandacht voor ‘hun hebben’

In de Volkskrant is een interview verschenen met taalkundige Hans Bennis, sinds 1 februari algemeen secretaris van de Taalunie. Hij geeft daarin onder meer aan dat de Taalunie er niet is om voor te schrijven wat je wel en niet kunt zeggen, dat taal voortdurend verandert en dat je ‘hun hebben’ taalkundig ook als een verbetering zou kunnen beschouwen.

Uit reacties op onder meer sociale media blijkt dat ‘hun hebben’ een thema is dat de gemoederen in Nederland blijft bezighouden. ‘Hun’ als onderwerp is nog steeds onderwerp van debat. Op het symposium Goede redenen voor foute taal op vrijdag 24 februari 2017 stond één van de sprekers stil bij de opkomst van ‘hun hebben’. In Taalunie:Bericht is een verslag opgenomen van dit symposium.

Bron/lees meer: http://taalunieversum.org/nieuws/6861/weer_volop_aandacht_voor_hun_hebben_
Zie ook:

Hun en hen

Het is geen spellingkwestie, maar wel een veel gestelde vraag. Wanneer schrijf je nu hun en wanneer hen? De algemene regel is de volgende.

Gebruik hen na een voorzetsel, zoals aan of voor, of als lijdend voorwerp.

  • Ik geef het boek aan hen. (na voorzetsel aan)
  • Ik deed het voor hen. (na voorzetsel voor)
  • Hoe gaat het met hen? (na voorzetsel met)
  • Ik bekijk hen. (lijdend voorwerp)
  • Hij ontslaat hen. (lijdend voorwerp)
  • Dat heb ik hen horen zeggen. (lijdend voorwerp)

Gebruik hun als meewerkend voorwerp en er geen voorzetsel voorstaat. Je kunt er meestal wel een voorzetsel bij denken.

  • Ik geef hun het boek. (meewerkend voorwerp hun = ‘aan hen’)
  • Hij schonk hun een kopje koffie in. (meewerkend voorwerp hun = ‘voor hen’)
  • Hij rookt hun te veel. (meewerkend voorwerp hun = ‘volgens hen, wat hen betreft’)
  • China is hun te ver. (meewerkend voorwerp hun = ‘voor hen’)
  • De tranen stonden/sprongen hun in de ogen. (meewerkend voorwerp hun = ‘bij hen’)

Voor een uitgebreider advies, kun je de pagina van Onze Taal bekijken.
Bron: https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/hun-hen